Pater George GeladéGelad George

 

Geboren in Kermt op 12 maart 1927

Religieuze geloften op 8 september 1948

Priester gewijd op 2 augustus 1953

Missionaris in de Filipijnen van 1954 tot 2003 en daarna in België

Overleden in Halle op 8 januari 2020

 

Wij zijn hem dankbaar voor wie hij voor velen is geweest.

Zijn eerste woorden tot mij waren: “Ik ben benoemd in Banaue, de streek waar veel toeristen komen voor de befaamde rijstvelden”.
Ik was juist toegekomen in de Filipijnen in 1958. Hij was toen voor mij een oudere missionaris. Hij was 31 jaar oud of jong.

Zijn laatste woorden tot mij waren: “Tot in de hemel”.
Enkele weken geleden, tijdens de begrafenis van Michel Wostyn, ontmoette ik hem aan de koffietafel.

Ik ben met hem nooit samen op dezelfde post geweest. Van de 50 jaar in de Filipijnen is hij meestal alleen geweest op de 7 verschillende posten. Pater George heeft zijn vele talenten ten dienste gesteld van de missie in de Filipijnen. Gedurende ruim 50 jaar heeft hij zich met hart en ziel ingezet voor zijn christenen.

Hij zorgde ervoor dat ze een plaats hadden om samen te komen en te bidden. Deskundig en met zijn knap verstand maakte hij plannen voor scholen, pastorijen en kerken. Hij was altijd de bouwheer. Hij was gekend als George “the Builder”. Op zijn secretariaat heeft hij duizenden brieven laten typen in het Nederlands om financiële steun te vragen. Hij had regelmatige contacten met zijn weldoeners en gaf veel informatie en foto’s over zijn werk. Hij heeft vele duizenden euro’s ontvangen, niet voor hemzelf maar voor zijn werk. Hij leefde heel sober. In zijn koelkast vond men niet veel meer dan koud water en in zijn keuken enkel rijst, gedroogde vis, groenten en fruit.

Buiten bouwen was hij ook een studax en taalkundige. Hijzelf heeft twee woordenboeken uitgegeven: de eerste van Ifugao naar Nederlands, en nadien maakte hij een tweede en veel dikker woordenboek van Ilocaans naar Engels. Hij wilde altijd dicht bij de mensen zijn en daarom vond hij de taalstudie erg belangrijk. Zijn twee woordenboeken getuigen daarvan.

Zijn laatste en groot werk was de bouw van een kathedraal in het bisdom Ilagan, op het eiland Luzon. Op zijn eigen manier wist hij altijd de plaatselijke gemeenschappen optimaal te betrekken bij zijn werk. Ook veel vrienden en kennissen in België en elders werkten mee. De contacten met de weldoeners kregen veel aandacht. Wanneer hij postzegels verzamelde, had hij altijd zijn missiewerk voor ogen.
Als hij op rust kwam naar België heeft hij de gelden die hij nog had van zijn weldoeners, geschonken aan de Filipijnse Scheutprovincie.

George was een goede confrater en tijdens zijn verblijf in Kessel-Lo en Zuun leefde hij intens en actief mee met de gemeenschap. In Kessel-Lo heeft hij nog vele jaren gezorgd voor het onderhoud van de tuin. Wij dragen allen mooie herinneringen aan hem mee.

Voor verzorging is hij naar Zuun gegaan. Hij kon zich goed bezighouden met lezingen, puzzels en Sudoku. Door lezing en artikels hield hij zich graag op de hoogte van de Congregatie. De laatste jaren waren moeilijk voor hem, maar dankzij de confraters en het personeel heeft hij er een mooie oude dag gehad. Zuun moet wel een moeilijke missiepost zijn. In plaats van christengemeenschappen op te bouwen in de missies, is het daar, samen met ouder wordende confraters, als missionaris af te bouwen. Dat is het leven van een missionaris: eerst opbouwen, dan afbouwen. George heeft veel opgebouwd, maar heeft ook veel moeten afbouwen. Voor de grote bouwer in de Filipijnen, heeft de Heer van het Leven zelf een huis gebouwd. Daar kan hij nu voor altijd verblijven.

George, dank voor alles. En tot in den Hemel, zoals jijzelf voorspelde.

Louis MELLEBEEK

 

 

 

Pater Raymond BodsonBodson Raymond kopie

 

Geboren in Hasselt op 16 september 1935

Religieuze geloften op 8 september 1956

Priester gewijd op 6 augustus 1961

Missionaris in de Verenigde Staten, de Filipijnen en in België

Overleden in Torhout op 6 december 2019

 

 

Nu de dood ons tegemoet is getreden in het overlijden van pater Raymond staat de tijd voor ons even stil. De dood heeft voor hem een einde gemaakt aan alle leed en pijn. Wij, die Raymond hebben gekend, worden geraakt in ons hart. Wij zullen hem missen, maar niet vergeten. Ook God zal hem niet vergeten. Hij die ons ten leven heeft geroepen, wil niet dat wij na een aantal jaren hier op aarde voorgoed verdwijnen in het niet. Dat heeft Hij ons duidelijk getoond in Jezus’ verrijzenis.

Een mens wordt geboren in een gezin, en groeit op te midden van familie, school en parochie. Wie we zijn en wie we worden, wordt voor een stuk bepaald door de mensen om ons heen. Reeds op jeugdige leeftijd wilde Raymond zich inzetten voor een meer rechtvaardige wereld. Hij droomde ervan om zich ten dienste te stellen van de kansarmen in Afrika. Op twintigjarige leeftijd trad hij in Scheut binnen om missionaris te worden in Congo.

Na zijn studies werd Raymond echter niet naar Congo maar naar Amerika gezonden, en enkele jaren later naar de Filipijnen. Daar bracht hij de beste jaren van zijn leven door, vooral op het heuvelachtige eiland Talim, gelegen in de provincie Rizal, midden in Laguna de Bay, het grootste meer van de Filipijnen. De mensen leven er voornamelijk van visvangst en het maken van bamboeproducten. De voorrechten en genoegens van de vooruitgang hebben het eiland nog niet bereikt. Regelmatig terugkerende tyfoons met hun nasleep aan verwoesting maken het leven er niet gemakkelijker.

In 1977 bezocht een delegatie van Talim kardinaal Sin en smeekte hem een priester naar het eiland te sturen. Kardinaal Sin op zijn beurt klopte aan bij Scheut, en Raymond stelde zich kandidaat. Ongetwijfeld werd hij geïnspireerd door de tekst van het evangelie van vandaag, hetgeen hij trouwens zelf gekozen heeft voor deze viering. Hij heeft mij gezonden om aan armen de Blijde Boodschap te brengen, aan gevangenen hun vrijlating bekend te maken, en aan blinden, dat zij zullen zien; om verdrukten te laten gaan in vrijheid. Zoals Jezus, voelde Raymond zich gezonden om aan armen de blijde boodschap te verkondigen, niet alleen in woorden, maar vooral door zijn voorbeeld.

Raymond was niet sterk maar had een onuitputtelijke inzet om het leven van de kleine mens te verbeteren. Toch liep het niet allemaal van een leien dakje. Het duurde vijf jaar voor hij in alle dorpen van het eiland de eucharistie mocht vieren. Bewust dat hij in samenwerking met anderen veel meer kon bereiken dan alleen, omringde hij zich met een groep leken, jongeren zowel als ouderen. Het was zijn zorg om zijn medewerkers goed te vormen voor de taken die zij zouden opnemen.

Zijn aandacht beperkte zich niet tot het strikt godsdienstige. Het hele welzijn van zijn mensen in hun concrete situatie ging hem ter harte. Hij wilde hen begeleiden naar een betere toekomst. Hij zette hen op weg en bezielde hen om zich in te zetten voor het gemeenschappelijk goed. Getuige hiervan het project om aan armen kleine leningen te geven en zo de woekerinteresten van de geldschieters te ontlopen. Hiervoor vond hij zijn inspiratie in de Grameen Bank, opgericht in Bangladesh, die kleine leningen verstrekt aan armen zonder een onderpand te vragen.

Wij kunnen zeggen dat Raymond zijn mensen motiveerde om zich als christen in te zetten in de maatschappij en bij te dragen aan de sociale, politieke en economische vooruitgang. En die mensen zijn hem zeer dankbaar zoals wij lezen uit de vele reacties bij zijn overlijden. Ik neem er enkelen uit:

- Een assistent-secretaris van de afdeling Sociaal Werk van de nationale overheid drukt het uit als volgt: Hij heeft herinneringen achtergelaten die in veel mensen zullen blijven leven. Deze herinneringen zullen ons aanmoedigen om een leven te leiden dat in Christus is gecentreerd.
- De groep die zich inzet voor geweldloze actie tegen allerhande vormen van uitbuiting en onderdrukking en die zich vrienden van Raymond noemen, spreken hun verdriet uit bij zijn overlijden en schrijven: Wij allen geloven dat hij ons altijd in zijn liefde zal houden, en onze gebeden en zorgen bij God zal brengen.
- Zuster Fidelis met wie Raymond tien jaar samenwerkte besluit: Hij voltooide zijn opdracht op aarde. Zeker, hij zal voor ons in de hemel bidden.

Ook binnen de Congregatie heeft Raymond zijn stempel gezet. Sinds 1996 was Raymond coördinator van het Manila district, en coördinator van de Provinciale Commissie voor rechtvaardigheid, vrede en integriteit van de schepping. Hij organiseerde recollecties en studiedagen voor de confraters, en gebruikte elke gelegenheid om te spreken over problemen rond deze thema’s. Zijn gedrevenheid en sterke overtuigingen veroorzaakten soms wel wat wrevel bij de confraters, maar dat hinderde hem niet.

In 2012 moest Raymond omwille van gezondheid verplicht in België blijven maar zijn interesse en ijver voor kwesties rond rechtvaardigheid, vrede en de zorg voor de aarde bleven hem bezielen, tot de laatste dag van zijn leven.

Raymond, dank je wel voor wie je voor zo velen geweest bent. Zoals Paulus op de Areopagus heb jij doorheen je leven mensen God leren kennen als Degene door wie wij het leven, het bewegen en het zijn hebben. Moge die God je nu laten delen in zijn eeuwige vreugde.

Luc COLLA

 

 

 

Pater Michel WostynWostyn Michel gebruiken

 

Geboren in Lichtervelde op 25 januari 1932

Religieuze geloften op 8 september 1953

Priester gewijd op 3 augustus 1958

Missionaris in Congo en in België

Overleden in Sint-Pieters-Leeuw (Zuun) op 26 november 2019

 

 

Het actief missieleven “op het terrein” ligt in de tijd gezien al ver in het verleden. Het begon in 1960 in West-Kasaï. Hij was er reispater (Kalomba en Mayi Munene) en pastoor in Tshikapa St. André. In 1973 kwam hij terug naar België.

Michel is vooral gekend door zijn jarenlange inzet in de gemeenschappen. Eerst in Zuun, later in Scheut voor onthaal, het onderhoud van park/ tuin, en nog heel wat andere kleinere opdrachten.
In 2004 kwam Michel “op rust” in Zuun, (zo schreef hij zelf) maar in feite zou hij zich gedurende ruim 15 jaar nog met hart en ziel inzetten voor de gemeenschap.

De ervaringen die hij opdeed als reispater in de dorpen bleven leven in zijn hoofd en hart. Zelfs jaren na zijn terugkeer kwamen er geregeld snedige uitdrukkingen uit zijn mond als bewijs van zijn levendig geheugen, zijn opmerkingsgeest en inlevingsvermogen in de Afrikaanse cultuur en taal.
Door zijn kunstzinnige, creatieve en open geest was hij als geen ander begaafd om de mensen in hun cultuur te vervoegen. Zo graag had hij nog met enkele klasgenoten uit de collegetijd het vernieuwde Afrikamuseum bezocht, maar het mocht niet meer zijn.

Zijn inzet voor de gemeenschappen van Scheut en Zuun beletten hem helemaal niet zijn kunstminnend hart te voeden aan musea, kerken en gebouwen waar ook in België: Brussel, Gent, Antwerpen, Bergen, Luik en Doornik.
Niet alleen kijken en bewonderen deed hij, hij was ook zelf heel creatief bezig: schilderen, boetseren… Hij had één groot thema: “mensen”: mensen van hier in België, maar ook mensen uit zijn missieleven in Kasaï.
In dat thema bracht hij heel zijn leven tot eenheid.
Wat hij dacht of voelde bracht hij zelden onder woorden. We moeten het gaan zoeken in zijn schilder- en boetseerwerk.

Hij was geen man om op het podium te staan. Bijna automatisch werden kleine onbesproken diensten aan hem toevertrouwd. Hij was de regelmatigheid zelf, je kon op hem rekenen. Een woord is een woord.
Ik heb het zelf mogen ondervinden in zijn trouwe en jarenlange ondersteuning van mijn revalidatie. Om zoiets te doen, moet je Michel Wostyn heten.

Heel lang kon hij genieten van een goede gezondheid. Dat kwam ten goede aan heel de gemeenschap. Het verdict van de oncoloog in augustus laatstleden kwam dan ook bijzonder hard en pijnlijk over. Met een bewonderenswaardige sereniteit heeft hij dat verwerkt, en de wens uitgesproken om de resterende dagen zo goed en mooi mogelijk te beleven. De bron van die houding is niet ver te zoeken: hij was een trouwe en diepgelovige religieus.
Zijn bescheidenheid en zijn sobere manier van leven sierden hem. Hij was snel tevreden en dan kwam zijn geliefde uitspraak naar boven: “Meer moet dat niet zijn”.
Dat maakte hem ook geliefd bij het personeel.
Michel heeft getoond dat je met vele kleine daden mensen kan raken.

Willy OOST

 

 

 

Pater Frans HölscherHlscher Frans

 

Geboren in ‘s-Gravenhage op 11 mei 1928

Religieuze geloften op 8 september 1951

Priester gewijd op 5 augustus 1956

Missionaris in Guatemala, de USA en Nederland

Overleden in Teteringen, Nederland op 23 oktober 2019

 

Frans zag het levenslicht op 11 mei 1928, en groeide op in een hecht gezin van acht kinderen, waarvan hijzelf de oudste was. Al op prille leeftijd groeide in hem het verlangen om priester te worden. Dat aanvankelijk nog vage verlangen kreeg een vaste vorm door het lezen van “De Annalen van Sparrendaal” met zijn verhalen over de Missie en het werk van de missionarissen: Hij wilde ook missionaris worden, en zijn keuze viel op Scheut.

Frans ging dus studeren bij onze paters op Sparrendaal en later in Nijmegen. Na zijn studie Filosofie en Theologie voltooid te hebben, werd hij op 5 augustus 1956 priester gewijd. Frans was klaar om naar de Missie te vertrekken, het liefst naar China. Maar de politieke situatie daar in die jaren maakte dat onmogelijk. Het werd eerst afwachten, en later dan maar een tijdje missieanimatie in Nederland. Pas na vier jaar kreeg Frans de kans om dan eindelijk naar de Missie te mogen vertrekken: het werd Guatemala. In oktober 1960 vertrok Frans per boot naar zijn missieland.

Na een periode van taalstudie kreeg Frans zijn eerste benoeming: eerst als kapelaan bij Piet van Santvoort in Escuintla, later als pastoor in Santa Lucia Cotz en tenslotte in de grote stadsparochie “Buen Pastor”.

Frans was voor zijn parochianen een zorgzame herder die meeleefde met het wel en wee van zijn schapen. Wee was er veel, want het land maakte roerige tijden door. Ook de kerk in Latijns-Amerika. Na de kerkvergadering in Medellín ging daar een nieuwe wind waaien. Frans was te behoudend van nature om daar van harte in mee te kunnen, en daar had hij het moeilijk mee. Totdat hij de kans kreeg over te stappen naar de USA, waar Frans nog vele jaren mooi apostolaat heeft kunnen doen bij de latino’s in Texas. In 2001 ging hij op rust naar Nederland. Van rusten kwam niet veel terecht, want hij maakte zich nog dienstbaar in naburige parochies zoals Udenhout en Maurik. Vanuit Sparrendaal verhuisde hij mee naar Teteringen, waar hij het erg naar zijn zin had. Zijn hobby was koken en daar hebben wij vaak van kunnen genieten. Een jaar geleden maakte Frans een val. Hij bleek niet alleen een gebroken sleutelbeen te hebben, maar ook nog een klein gezwel op zijn longen. Vanwege zijn al hoge leeftijd wilde hij geen chemokuur. Tot een paar maanden geleden bleef hij nog diensten verrichten aan de communiteit als chauffeur. Totdat dat niet meer ging omdat hij veel pijn had. Frans heeft tijd gehad om afscheid te nemen van zijn familie waarmee hij een sterke band had. In de morgen van 23 oktober ging hij rustig en stil van ons heen. Moge hij nu rust en vrede vinden in Gods nabijheid.

Joep VAN GAALEN

 

 

 

Pater Eugeen Van AckereVan Ackere Eugeen

 

Geboren in Waregem op 12 juli 1939

Religieuze geloften op 8 september 1961

Priester gewijd op 7 augustus 1966

Missionaris in de Filipijnenvan 1967 tot 2019

Overleden in Baguio City ( Filipijnen) op 1 oktober 2019

 

Wie pater Eugeen gekend heeft, herinnert zich waarschijnlijk vooral zijn enthousi-asme en onverwoestbare levensmoed. Voor Eugeen was er altijd een hoop werk aan de winkel, en het moest vooruitgaan. Met halve maatregelen was hij niet tevre-den, en het leven moest ten volle geleefd worden. Daaruit kwam ook zijn verlangen naar de Missie. Mensen moesten niet aan hun lot worden overgelaten, maar het volle leven kunnen ervaren. Dat volle leven was te vinden in geloof en betrouwen op God, en op de mensen die God op onze weg zet. Dit was en bleef Eugeens diepe missionaire motivatie.

In 1967 vatte hij zijn taak aan, eerst als medepastoor in Natonin, daarna als pastoor in een veelheid van parochies en ook als ziekenhuispastor, steeds in de Bergpro-vincie in de Filipijnen. Uit zijn missionaire motivatie kwam zijn houding van naar de wereld en de mensen te kijken met een milde humor, met een ondertoon van be-trouwen dat het echte leven wel kon doorgaan, humor om de spanning te ontladen en dingen te relativeren. Wat de zaak niet diende, daar had hij geen tijd voor. Hij was verdraagzaam en mild voor andere opinies, ook op het gebied van geloof, want ach-ter alle verschillen zag hij de mens die niet nodeloos moest belast worden, maar verdiende geholpen te worden en gesteund door medemensen. Toch had hij geen schrik van confrontatie. In de Filipijnen bracht dit hem soms in moeilijkheden of ge-vaar, en hij wist dat hij het spel veilig moest spelen, maar onrecht of gesjoemel door de vingers zien, dat hoorde er bij hem niet bij.

Voor zijn confraters kon Eugeen een vriend zijn in goede en kwade dagen en een wijze raadgever, juist omdat hij essentiële dingen kon onderscheiden van bijkom-stigheden. Geen pietluttigheden voor hem. Zijn humor kon een mens overtuigen een of ander “idée fixe” te laten varen, of angst en onrust te overkomen en voort te doen. ‘Voortdoen’ was voor Eugeen een werkwoord dat altijd op zijn plaats was. Dat was van belang.

Soms raakte hij aan het vertellen over vroeger, over zijn jeugdjaren thuis in Ware-gem en ook over de studiejaren in Scheut. Het waren de fameuze zestiger jaren. Dat was de tijd van de “jonge vrijgevochten generatie”. In de Chiro van Waregem leerde hij het bruisend jonge leven kennen. In ‘het klooster’ (wat een beetje raar klinkt voor een Missiehuis van Scheut) sloeg in die tijd de discipline soms helemaal om. Die-zelfde geest is met Eugeen naar de Filipijnen meegereisd, en heeft ook daar leven, hoop en toekomst gebracht. Overal was hij de promotor van een gemeenschapsle-ven dat iedereen ten goede kwam. Waar Eugeen was, kon men zich verwachten aan een gezonde vriendschappelijke sfeer. Hij had veel vrienden die hem levens-lang gesteund hebben.

Toen studenten in de geneeskunde vanuit Kortrijk naar de Filipijnen kwamen, in een uitwisselingsprogramma van de universiteit, en een gids zochten om iets van het inlands leven mee te maken, was “Father Eugene” hun man. Bij hun thuiskomst hoorde ik hun rapport in Kortrijk, en een van de hoogtepunten van hun verblijf in de Filipijnen was wat ze beleefd hadden met Fr. Eugene! Ook zij hadden aangevoeld hoeveel sympathie en genegenheid Eugeen had voor de mensen.

Toen hij in 2016 op zijn gouden jubileum in Oedelem gevraagd werd of hij nog terug zou gaan naar de Filipijnen, zei hij, op zijn gekende manier: “Ja, ik ga terug. Ik ben nu wel de precieze datum vergeten, maar ginder zijn er nogal wat die de datum van mijn terugkeer beter kennen dan ik.” Op datzelfde jubileum waren er ook verschil-lende Filipino’s aanwezig die in Europa woonden en werkten. Ze wilden erbij zijn, bij de viering van ‘Father Eugene’. De meesten had hij op een of andere manier geholpen om “iemand” te worden. Dat was zijn grootste geluk en fierheid, en terecht.

Onvermoeibaar was hij in de weer om bij zijn volk te zijn en hen dienst te bewijzen. Uren heeft hij te voet gelopen of op zijn motor over nauwe gladde bergpaadjes gere-den, niet zonder gevaar. Dat was allemaal geen probleem. De laatste jaren was Eu-geen aalmoezenier van het hospitaal van de universiteit Saint Louis in Baguio. Mensen van het binnenland, uit afgelegen missieposten, kwamen voor medische verzorging naar het hospitaal in Baguio. Voor velen was de stad vreemd gebied en in een hospitaal voelden ze zich onzeker. En dan ontmoetten ze “Father Eugene” die hen aansprak in hun eigen dialect, en die op de hoogte was van hun toestand. En, er kon gepraat worden over de problemen en naar oplossingen gezocht worden.

Het is in het Missiehuis van Scheut in Baguio City - het bekende Home Sweet Ho-me - dat Eugeen op rust ging. Hij kon door de stad wandelen en telkens weer de groet horen van mensen die hem kenden en waardeerden om wat hij voor hen ge-daan had of met wie hij had samengewerkt. Daarom bleef hij graag in Baguio.

Zijn pensioen gaf hem ook de kans zijn speciale hobby te beoefenen. Hij had daar-bij een zekere koppigheid die wat vreemd aandeed, maar waarvan hij dacht dat het toch eens vrucht zou dragen. En die hobby was: zijn zoektocht naar het ‘perpetuum mobile’! Tientallen pogingen deed hij om een oplossing te vinden. “Dat is onmoge-lijk,” zei men hem, “en zoveel wetenschappers hebben ernaar gezocht en het niet gevonden.” Maar dat was voor Eugeen juist een aanmoediging: “Elke vernieuwing is er ooit gekomen,” zei hij, “omdat iemand het niet opgaf naar het zogezegde onmo-gelijke te zoeken en te blijven zoeken.”

Hij ging terug, hoewel men kon voelen dat het niet zo goed ging met de gezondheid. Hoezeer hij ook gehecht was aan vrienden en familie in België, toch was voor hem “voortdoen” van belang, en daarvoor moest hij in de Filipijnen zijn. Maar de reis ging verder dan wat hij had bedoeld, en een week of twee na zijn aankomst is hij weer vertrokken naar een definitieve bestemming. Moge hij daar nu het volle leven ont-vangen en genieten van het goede gezelschap, de voltooiing van zijn ambities als missionaris, als brenger van goed nieuws.

Hubert DECLERCK

 

 

 

Pater Jean Van WeyenberghVan Weyenbergh Jean

 

Geboren in Lebbeke op 5 maart 1931

Religieuze geloften op 8 september 1951

Priester gewijd op 5 augustus 1956

Missionaris in Congo van 1957 tot 2006

Daarna rustend priester, in Sint-Pieters-Leeuw (Zuun), waar hij overleden is op 30 september 2019

 

Jan is geboren in Lebbeke op 5 maart 1931. Hij was de tweede van een groot gezin. Toen Jan 17 was, stierf zijn vader. Moeder bleef alleen achter met acht kinderen. Jan heeft zich dan heel edelmoedig ingezet om zoveel mogelijk moeder te helpen: in de vakantie, maar ook voor en na de schooluren. Daar bleek al heel duidelijk dat Jan een harde werker was en heel edelmoedig.
Hij wou missionaris worden maar hij leefde in tweestrijd: zijn roeping volgen of in België blijven om moeder bij te staan. Zoals Elisa, die koos om het bedrijf van zijn vader met de vele ossen achter te laten en de profeet Elia achterna te gaan, koos Jan ervoor om het ouderlijk bloemenbedrijf achter te laten en Christus te volgen. Maar, bloemen zou hij altijd heel graag blijven zien.
In Scheut kreeg hij de klassieke opleiding: eerst het noviciaat in Zuun in 1950-1951. Daarna twee jaar filosofie in Néchin. Zijn theologie deed hij in Scheut, maar vooral in Leuven. Hij werd priester gewijd in Scheut op 5 augustus 1956, en vertrok einde 1957 naar de Oost-Kasaï. Hij zou er 49 jaar blijven. Hij begon als schoolpater in de missie van Tielen St. Jacques, later Tshilomba genoemd. Hij zou er ook de laatste 15 jaar van zijn actief missieleven doorbrengen als rector van die gigantische missie.
Jan heeft nooit in de stad gewoond. Zijn hele Congoperiode leefde hij tussen de gewone mensen, voornamelijk de boeren. In het zuiden van de Kasaï is er zeer vruchtbare grond, en de mensen leven er van landbouw. Jan voelde zich opperbest tussen die eenvoudige mensen. Hij was jarenlang reispater en hij had een goed contact met de inwoners van de vele dorpen in het binnenland. Zo leerde hij hun gebruiken en gewoontes kennen. Als priester had hij veel vertrouwen. Hij kende heel veel mensen met naam en toenaam, en ook de relaties en verwantschappen tussen hen. Hij had een zeer sterk geheugen, en 20 of 30 jaar later kon hij zich nog precies de namen van velen herinneren, alsook hun dorp van oorsprong en de details over hun leven of familie. En dat maakte Jan erg geliefd.

Op de fameuze missie van Tubeya waren de confraters begonnen met een veestapel. Sommige bewoners van Tubeya hadden ook vee en konden van de infrastructuur en de zorgen van de missie genieten voor hun eigen vee. Jan heeft daar 10 jaar gewoond, en velen met raad en daad bijgestaan om vooruit te komen in het leven. Van daaruit werd Jan naar de missie van Kamiji gestuurd waar de Scheutisten de veestapel van het bisdom in handen hadden. Er waren daar duizenden koeien. En er was op een bepaald moment nood aan een confrater die de boerenstiel kende, en zich daar wou inzetten. Zoals overal voelde Jan zich op zijn gemak tussen de veehouders en de plaatselijke bevolking.
Na 24 jaar in de volle natuur geleefd te hebben, wachtte hem een andere taak in 1981. Hij werd pastoor in Lukalaba, op een 50 km van de grote stad Mbuji-Mayi. Lukalaba was een tamelijk nieuwe missiepost met een dichte bevolking. Zoals elke pastoor was Jan bedrijvig in de pastoraal om het Woord Gods te verkondigen en om van de mensen goede christenen te maken. Maar zijn aandacht ging ook naar sociaal werk. Hij bouwde er een groot centrum voor gehandicapten dat door de inlandse zusters bestuurd werd.
Op jonge leeftijd had hij al de missie van Mulundu helpen bouwen. Zijn handigheid en doorzettingsvermogen waren al lang opgemerkt door zijn oversten. Zo werd op hem beroep gedaan om het nieuwe provinciale huis in Mbuji-Mayi te bouwen. Gedurende jaren zou Jan daar elke week een paar dagen aan wijden. Eerst vanuit Lukalaba (op 50 km) en later vanuit Tshilomba (op 150km). Niets was te zwaar of te ver. Jan zette door: zoals de boer uit ‘de ballade van de boer’ van Werumeus Buning. Hij ploegde voort tot het werk af was.
In Tshilomba heeft Jan nog vele mooie jaren gekend als rector. Er werden daar geregeld retraites en sessies georganiseerd. Jan zorgde ervoor dat iedereen een nette kamer had en dat er smakelijke maaltijden werden geserveerd. Hij had daar ook een grote tuin met overvloed aan inlandse en Europese groenten. Zoals de maaier uit het evangelie heeft Jan veel gezaaid, letterlijk en figuurlijk.
Toen hij 75 was kwam hij naar België, naar Zuun. Niet om te rusten maar om in dienst te staan van de gemeenschap. Hij zou bijna tien jaar lang de hovenier van deze gemeenschap zijn. Ook als hij niet goed ter been meer was, deed hij naarstig voort. Als het moest, zat hij uren op zijn knieën tussen de planten. Tot het niet meer ging.
De laatste jaren was Jan ernstig ziek. Maar hij vocht tegen de ziekte met wisselend succes. Hij gaf niet op. Hij verbeet de pijn en de vermoeidheid en kwam telkens weer naar boven. En dan, genoot hij weer zichtbaar van het leven, van een goede babbel met de confraters, van de bezoeken en van al wat de moeite waard is. Tot het einde naderde.

Vermeldenswaardig, een fragment uit het gedicht van Werumeus Buning: ‘De ballade van de boer’:

Heer God! De boer lag in het gras,
Toen droomde hij deze droom:
Dat er eindelijk een rustdag was
Naar apostel Johannes' woord.
En de kwaden gingen hem links voorbij
En de goeden rechts voorbij,
Maar de boer had zijn naam nog niet gehoord
En de boer hij ploegde voort.
Eerst toen de boer die hemel zag
Zo vol van lichte schijn,
Toen spande hij zijn ploegpaard af,
En hij veegde het zweet van zijn voorhoofd af,
En hij knielde naast zijn stilstaand paard,
En hij wachtte op Gods woord.

Jan heeft nog een tijd ‘voortgeploegd’. Hij gaf niet op tot hij wist dat de Heer hem riep, dat het Licht naderde. Hij heeft dan heel bewust zijn familie geroepen en afscheid genomen. Ook van de confraters en van het leven, en alles vol overgave in de handen van God gelegd. En hij wachtte op Gods Woord. En dat riep hem op de laatste dag van september. In het begin van de herfst, als de bladeren beginnen te vallen.
“Jan, je bent nu bij de Heer die je zo trouw gediend hebt. Misschien kun je hem een lapje grond vragen waar je bloemen kunt planten en prei en selder en veel rabarber om uit te delen. Want, werken en zorgen en uitdelen dat deed je zo graag.”
Jan, je was een goede confrater en een milde en edelmoedige man. Rust nu in vrede.

Frans VAN HUMBEECK

 

 

Pater Clem SchreursSchreurs Clem

 

Geboren in Zutendaal op 10 januari 1931

Religieuze geloften op 8 september 1951

Priester gewijd op 5 augustus 1956

Missionaris in de Filipijnen van 1957 tot 1959, en daarna in Indonesië

Overleden in Jakarta, Indonesië op 18 september 2019

 

Clem groeide op in een katholieke familie in Zutendaal, met drie broers en zes zussen, waarvan er drie intraden in het klooster. Bij Clem lag het vast, na zijn middelbare studies in Genk wilde hij naar Scheut om missionaris te worden. Omdat hij na zijn studies lang moest wachten op zijn visum voor Indonesië, vertrok hij in 1957 naar de Filipijnen en werkte er bij de “School press” in Baguio.

In 1959 kon hij naar Indonesië. Volgens tijdgenoten viel Clem in de priesterstudies helemaal niet op, maar in Indonesië bleek hij zeer getalenteerd te zijn. En, talenten heb je om anderen tot zegen te zijn. Clem woekerde ermee. Hij heeft er veel mensen mee geholpen, maar zelf kon hij er ook van genieten. Altijd keurig en netjes verzorgd, ging hij om met de superrijken, maar ook met de straatarme mensen die hij ontmoette. Overal voelde hij zich op zijn gemak.

Vanaf 1959 was hij twee jaar pastoor in de buitenstaties van Rantepao, Toradja. Daarna tot in 1968 procurator, econoom en secretaris van het aartsbisdom Makassar. Dan kwam hij naar de hoofdstad Jakarta, en daar zou hij zich nog meer kunnen uitleven. Hij stichtte er een Scheutparochie en guesthouse voor Scheut.

Hij heeft veel gedaan voor de katholieke kerk van Indonesië en voor Scheut-Indonesië, maar zijn voornaamste prestatie was wel, de stichting van het pensioenfonds van de Bisschoppenconferentie. Hij zorgde ervoor dat mensen die zich hun hele leven hebben ingezet in de kerk als catechist, zuster, priester of in het katholieke onderwijs, de ziekenhuissector of in één of ander project van de kerk, na een leven van werken, kunnen genieten van een pensioen. Het opzet was de premies veilig te investeren, en dat deed hij in een crematorium, een reisbureau, een bouwfirma en een uitgeverij.

Clem was een goede religieus, elke dag begon met een mis bij de zusters en hij bleef trouw aan zijn brevier. Als Scheutist had hij ook een hart voor de vorming van de Indonesische Scheutisten. Hij werkte zelfs mee aan de geestelijke begeleiding van onze jonge mensen. Hij was een goede confrater en een uitzonderlijke gastheer voor ieder die bij hem kwam logeren. Hij kon moeilijk stilzitten en na zijn pensioen was hij nog medestichter van Fajar Baru, een tehuis voor kinderen.

Clem hield van het leven. Hij kon werken en genieten. En ook als de oude dag kwam met zijn lijden en kwaaltjes, kon hij van dit leven blijven houden, omdat hij geloofde in het andere leven. In het echte leven. Hij mag nu rusten bij de Heer die tot hem zal zeggen: Komt, gezegende van de Vader en ga binnen in de vrede die u wacht. Want wat gij gedaan hebt voor de minsten der mijnen, hebt gij voor mij gedaan.

Theo WYNANTS CICM

 

 

 

Pater Karel DenysDenys Karel

 

Geboren in Roeselare op 25 juli 1920

Religieuze geloften op 8 september 1939

Priester gewijd op 16 juli 1944

Missionaris in China van 1947 tot 1948

Missionaris in de Verenigde Staten van Amerika van 1948 tot 2011

Daarna rustend priester, in Rumbeke en Torhout, waar hij overleden is op 4 augustus 2019.

Vanaf 1977 Ridder in de Orde van ’t Manneke uit de Mane.

 

Pater Karel werd geboren in Roeselare op 25 juli 1920. Na zijn humaniora¬studies aan het Klein Seminarie van Roeselare deed hij zijn intrede in het noviciaat van Scheut in september 1938, in navolging van zijn broer Michiel die 14 jaar ouder was, en al werkzaam in China. Karel legde zijn eerste geloften af op 8 september 1939. Hij studeerde filosofie in Scheut, en theologie in Leuven. Op 16 juli 1944 werd hij priester gewijd, en voor hij naar de Chinese missie vertrok, rondde hij zijn opleiding af aan de normaalschool in Torhout.

Hij vertrok in april 1947 naar China, en begon aan zijn eerste jaar taalstudie in Peking, maar al in juli 1948 verzocht de generaal-overste van Scheut hem China te verlaten omwille van de com¬munistische dreiging, en meteen door te reizen naar de Verenigde Staten van Amerika. Hij deed eerst 4 jaar dienst als medepastoor in Culpeper, Virginia, en daarna 20 jaar, van 1952 tot 1972, in verschillende parochies in Philadelphia.

Daarna begon hij iets meer naar het noordwesten, als pastoor van de pa¬rochie van OLV van Smarten in Detroit, die was gesticht door en voor de Belgische immigranten, voor een groot deel Vlamingen. Hij zou daar 20 jaar zijn. Het was de tijd toen vele Anglo-Amerikaanse families, ook Belgische immigranten, de stad verlieten en zich in de randsteden vestigden, weg van de groeiende Afro-Amerikaanse bevolking. Karel probeerde beide culturele groepen tot een christelijke gemeenschap om te smeden. Zijn vriendelijkheid en geduld hielpen hem daarbij. Hij was de zachtmoedige man met een nederig hart, naar het voorbeeld van Jezus.

Al van bij het begin van zijn apostolaat in Detroit werd hij medewerker, en daarna een tijdlang hoofdredacteur, van de Gazette van Detroit, die was opgericht voor de Vlaamse immigranten. Als verdienstelijke West-Vlaming werd hij, tijdens zijn verlof in 1977, tot Ridder geslagen in de Orde van het Manneke uit de Mane. Dit gebeurde te Diksmuide, waar Karel al tijdens zijn jeugdjaren elk jaar naar de IJzerbedevaart was getogen.

In 1994 – hij was toen 74 jaar – trok hij zich terug in de Father Tailieu Residence in Roseville, niet ver van Detroit. Twee jaar later zou hij verhuizen naar de bakermat van Scheut in Amerika, Missionhurst, in Arlington. Karel was een boekenwurm en had een neus voor archief¬werk. Hij leefde nog 15 jaar mee met het promotiewerk van Missionhurst en de Scheutse gemeenschap van het provinciaal huis.

In 2011 kwam hij definitief terug en vond hij een thuis in de gemeenschap van Rumbeke, op enkele boogscheuten van zijn “roots” verwijderd. Hij was er toen 91, maar nog heel alert en altijd gereed voor een kwinkslag of een zondagse “santé” met de confraters, vooral met zijn wapenbroeder Jules Van Moer¬kercke, die hem enkele weken vroeger naar het Vaderhuis is voorgegaan.

Begin 2014 ging pater Karel naar het Missiehuis van Torhout wonen. Het was op zijn vraag dat men er gestart is met een wekelijkse zangstonde, en hij was er altijd heel graag bij, ook toen hij bijna niets meer hoorde en of zag. Op 21 juli van dit jaar heeft hij nog samen met zijn talrijke familie zijn jubileum van 75 jaar priesterschap kunnen vieren, en enkele dagen erna samen met de confraters zijn 99ste verjaardag. Hij is in de ge¬meenschap van Tor¬hout zachtjes heengegaan in de late avond van zondag 4 augustus 2019.

Jozef LAPAUW en Werner LESAGE